Wat is een spiegelkarperproject?     (afgekort : SKP)

 

Het laat je koud, of je gaat helemaal door het lint bij het zien van een K3’tje (drie zomerige karper) met bijhorend uitzetnummer.

Grijze zones tussenin bestaan hier amper.

Ik behoor ontegensprekelijk tot de groep van vissers die een warm hart dragen voor karpertjes die straks legendes als de knik, big mama, den grootten en zoveel andere tot de verbeelding sprekende vissen moeten doen vergeten.

Echter, nog voor deze visjes hun eerste meters zwemmen op onze waters, dient er heel wat aangetoond te worden.

Een spiegelkarperproject kan dus niet alleen een mooi fotoalbum in 2015 tot doel hebben!

 

Spiegelkarperprojecten concreet.

Wanneer komt een water nu in aanmerking voor een skp?

Meerdere ‘gebreken’ kunnen oorzaak zijn om een skp te overwegen.

Plotselinge sterftes door overstromingen (lees: zuurstoftekort omwille van plotse vervuiling, overstorten), ziektes, …. kunnen dankzij een skp het getroffen bestand weer op het peil brengen.

Ook een verouderd bestand met weinig of geen opvolging naar de toekomst toe kan een aanstoot zijn om een skp te overwegen.

Een spaaklopende verhouding tussen schubkarpers en spiegelkarpers kan bij een eventuele uitzetting een extra stimulans of aangrijpingspunt zijn om spiegeltjes uit te zetten.

Tenslotte de waters met een flinke onderbezetting. Hier hoeft geen verdere uitleg bij, medunkt.

 

Het moge duidelijk zijn dat een bestandsmap waarin vangstgegevens door de jaren heen samengebracht werden, een handig instrument kan zijn bij het motiveren van een eventuele uitzetting. Zo’n bestandsmap heeft trouwens nog tal van andere voordelen, denken we maar aan diefstal van onze geliefden. Dat er op dit vlak nog héél wat werk voor de boeg is, hoef ik niet te verduidelijken. Helaas, en dit is waarschijnlijk het enige nadeel van zo’n map, is dat het mystieke, het ‘je-weet-maar-nooit-gevoel’ ergens verloren gaat. Ieder individu is tenslotte in kaart gebracht. Onvangbare karpers zijn dan weer gespreksstof voor een andere discussie.

 

Dat er na het uitzetten, waarbij elke vis gewogen, gemeten en gelinkt aan een nummer wordt, een zee van mogelijkheden opengaan moge duidelijk zijn.

De groei van de vissen leert ons in hoeverre de oorspronkelijke visstand een extra uitzetting kon dragen. Wanneer er een gestage groei vastgesteld wordt bij de uitgezette spiegeltjes, mag je besluiten dat er van overbezetting door een skp geen sprake is, en dat de uitzetting absoluut verantwoord was.

Ook de migratie of trekgedrag kan perfect in kaart gebracht worden. Blijven de vissen rondhangen bij de uitzetplaats? Vinden ze een vaste stek tientallen kilometers verder? Is er een seizoensgebonden trek richting jachthaventjes in de winter? Paaigronden? Blijven er in mekaars gezelschap?

Op de grote rivieren en kanalen is maar weinig met zekerheid geweten over het trekgedrag van onze karper. Dankzij opvolging (monitoring) kan daar enigszins klaarheid in geschept worden. Ook het gewicht bij de terugvangst leert ons het één en ander. Vaak is het zo dat de uitgezette spiegeltjes de eerste twee jaar flink groeien, waarna de groei iets minder spectaculair wordt. Dat er bij de karpers onderling grote verschillen aanwezig zijn, hoef ik er amper bij te vertellen. Slanke vissen nemen langzaam toe in gewicht, de exemplaren met een uitgesproken knik groeien vaak als kool.

Karpers met een uitgesproken lager uitzettingsgewicht (uit hetzelfde kweekjaar) worden vaak minder teruggemeld. In eerste plaats werd gedacht aan ‘ten prooi vallen’ van predatoren als roofvissen en onze zwarte schrik, de aalscholver. Of dit wel zo is, kan/kon eigenlijk niet aangetoond worden. Waarom hebben deze exemplaren nu eigenlijk zo’n laag gewicht ten opzichte van hun leeftijdsgenoten? Zit zoiets in de genen of zijn het gewoon vissen met een afwijkend voedingspatroon? Misschien is dit afwijkend voedingsgedrag wél de reden dat ze minder snel groeien en amper teruggemeld worden!

Men kan gerust besluiten dat het monitoren van een groep uitgezette spiegeltjes ons een schat aan informatie oplevert, dit op voorwaarde dat er werk gemaakt wordt van de o zo interessante terugmeldingen.

                                         

 

 

Ik gooi een wijd openstaande deur in als ik vertel dat onze Noorderburen een mijlenverre voorsprong hebben binnen deze materie. In plaats van één grote, allesomvattende uitzetting kiezen onze buren voor een gespreide uitzetting over meestal 5 jaar. Zo krijg je variatie in beschubbing, gewichtsklasses enz. en kan je ten allen tijde inspelen op de situatie. Uitzettingen opschorten of stopzetten bijvoorbeeld wanneer er zich maar een beperkte groei meer voordoet.

 Helaas hoor ik, meer dan me lief is, ook negatieve dingen over skp’s.

Argumenten die wijzen op het egoïstisch getint aspect van onze hobby.

‘Hun’ water komt hierdoor toch extra in de schijnwerpers? Gaat er nog voedsel genoeg zijn om de originele vissen tot varkens te laten uitgroeien? Moeten we dan zomaar alles vertellen wat we vangen? Bij zo’n ingesteldheid zakt m’n broek tot ver over m’n enkels af. Kortzichtigheid buiten categorie.

Anderen vinden zo’n uitzetting wel leuk, maar zien die terugmeldingen dan weer niet zitten!

“We zijn toch geen bioloog ofzo?” Moet vissen dan een exacte wetenschap zijn?

Argumenten die ik best wel kan begrijpen, maar minstens even snel kan weerleggen met bovenstaande tekst.

 

Als laatste worden karpervissers maar al te vaak als buitenaards beschouwd en ongewild in een bepaald vakje geduwd door de buitenwereld. Spiegelkarperprojecten zijn uniek binnen onze visserij en hét uitgelezen middel om positief naar buiten te komen met onze hobby. Overheid, buitenstaanders, ja zelfs de groenen kunnen met dergelijke projecten niet anders dan vaststellen dat we echt wel omzichtig omspringen met onze waters en hun bewoners.

 

                          

 

Filip Matthys.